Números 31

DUTCH vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1 Disse o Senhor a Moisés:
2 Neem de wraak der kinderen Israels van de Midianieten; daarna zult gij verzameld worden tot uw volken.
2 Vinga os filhos de Israel dos midianitas; depois, serás recolhido ao teu povo.
3 Mozes dan sprak tot het volk, zeggende: Dat zich mannen uit u ten strijde toerusten, en dat zij tegen de Midianieten zijn, om de wraak des HEEREN te doen aan de Midianieten.
3 Falou, pois, Moisés ao povo, dizendo: Armai alguns de vós para a guerra, e que saiam contra os midianitas, para fazerem a vingança do Senhor contra eles.
4 Van elken stam onder alle stammen Israels zult gij een duizend ten strijde zenden.
4 Mil homens de cada tribo entre todas as tribos de Israel enviareis à guerra.
5 Alzo werden geleverd uit de duizenden van Israel, duizend van elken stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.
5 Assim, dos milhares de Israel foram dados mil de cada tribo: doze mil ao todo, armados para a guerra.
6 En Mozes zond hen ten strijde, duizend van elken stam, hen en Pinehas, den zoon van Eleazar, den priester, ten strijde, met de heilige vaten, en de trompetten des geklanks in zijn hand.
6 Mandou-os Moisés à guerra, de cada tribo mil, a estes e a Fineias, filho do sacerdote Eleazar, o qual levava consigo os utensílios sagrados, a saber, as trombetas para o toque de rebate.
7 En zij streden tegen de Midianieten, gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was.
7 Pelejaram contra os midianitas, como o Senhor ordenara a Moisés,
8 Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen der Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen der Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, den zoon van Beor.
8 e mataram todo homem feito. Mataram, além dos que já haviam sido mortos, os reis dos midianitas, Evi, Requém, Zur, Hur e Reba, cinco reis dos midianitas; também Balaão, filho de Beor, mataram à espada.
9 Maar de kinderen Israels namen de vrouwen der Midianieten, en hun kinderkens gevangen; zij roofden ook al hun beesten, en al hun vee, en al hun vermogen.
9 Porém os filhos de Israel levaram presas as mulheres dos midianitas e as suas crianças; também levaram todos os seus animais, e todo o seu gado, e todos os seus bens.
10 Voorts al hun steden met hun woonplaatsen, en al hun burchten verbrandden zij met vuur.
10 Queimaram-lhes todas as cidades em que habitavam e todos os seus acampamentos.
11 En zij namen al den roof, en al den buit, van mensen en van beesten.
11 Tomaram todo o despojo e toda a presa, tanto de homens como de animais.
12 Daarna brachten zij de gevangenen, en den buit, en den roof, tot Mozes en tot Eleazar, den priester, en tot de vergadering der kinderen Israels, in het leger, in de vlakke velden van Moab, dewelke zijn aan de Jordaan van Jericho.
12 Trouxeram a Moisés, e ao sacerdote Eleazar, e à congregação dos filhos de Israel os cativos, e a presa, e o despojo, para o arraial, nas campinas de Moabe, junto do Jordão, na altura de Jericó.
13 Maar Mozes en Eleazar, de priester, en alle oversten der vergadering, gingen uit hen tegemoet, tot buiten voor het leger.
13 Moisés, e Eleazar, o sacerdote, e todos os príncipes da congregação saíram a recebê-los fora do arraial.
14 En Mozes werd grotelijks vertoornd tegen de bevelhebbers des heirs, de hoofdlieden der duizenden, en de hoofdlieden der honderden, die uit den strijd van dien oorlog kwamen.
14 Indignou-se Moisés contra os oficiais do exército, capitães dos milhares e capitães das centenas, que vinham do serviço da guerra.
15 En Mozes zeide tot hen: Hebt gij dan alle vrouwen laten leven?
15 Disse-lhes Moisés: Deixastes viver todas as mulheres?
16 Ziet, deze waren, door den raad van Bileam, den kinderen Israels, om oorzake der overtreding tegen den HEERE te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering des HEEREN.
16 Eis que estas, por conselho de Balaão, fizeram prevaricar os filhos de Israel contra o Senhor , no caso de Peor, pelo que houve a praga entre a congregação do Senhor .
17 Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderkens; en doodt alle vrouw, die door bijligging des mans een man bekend heeft.
17 Agora, pois, matai, dentre as crianças, todas as do sexo masculino; e matai toda mulher que coabitou com algum homem, deitando-se com ele.
18 Doch al de kinderen van vrouwelijk geslacht, die de bijligging des mans niet bekend hebben, laat voor ulieden leven.
18 Porém todas as meninas, e as jovens que não coabitaram com algum homem, deitando-se com ele, deixai-as viver para vós outros.
19 En gijlieden, legert u buiten het leger zeven dagen; een ieder, die een mens gedood, en een ieder, die een verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op den derden dag en op den zevenden dag ontzondigen, gij en uw gevangenen.
19 Acampai-vos sete dias fora do arraial; qualquer de vós que tiver matado alguma pessoa e qualquer que tiver tocado em algum morto, ao terceiro dia e ao sétimo dia, vos purificareis, tanto vós como os vossos cativos.
20 Ook zult gij alle kleding, en alle gereedschap van vellen, en alle geiten haren werk, en gereedschap van hout, ontzondigen.
20 Também purificareis toda veste, e toda obra de peles, e toda obra de pelos de cabra, e todo artigo de madeira.
21 En Eleazar, de priester, zeide tot de krijgslieden, die tot dien strijd getogen waren: Dit is de inzetting der wet, die de HEERE Mozes geboden heeft.
21 Então, disse o sacerdote Eleazar aos homens do exército que partiram à guerra: Este é o estatuto da lei que o Senhor ordenou a Moisés.
22 Alleen het goud en het zilver, en het koper, het ijzer, het tin en het lood;
22 Contudo, o ouro, a prata, o bronze, o ferro, o estanho e o chumbo,
23 Alle ding, dat het vuur lijdt, zult gij door het vuur laten doorgaan, dat het rein worde; evenwel zal het door het water der afzondering ontzondigd worden; maar al wat het vuur niet lijdt, zult gij door het water laten doorgaan.
23 tudo o que pode suportar o fogo fareis passar pelo fogo, para que fique limpo; todavia, se purificará com a água purificadora; mas tudo o que não pode suportar o fogo fareis passar pela água.
24 Gij zult ook uw klederen op den zevenden dag wassen, dat gij rein wordt; en daarna zult gij in het leger komen.
24 Também lavareis as vossas vestes ao sétimo dia, para que fiqueis limpos; e, depois, entrareis no arraial.
25 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
25 Disse mais o Senhor a Moisés:
26 Neem op de som van den buit der gevangenen van mensen en van beesten; gij en Eleazar, de priester, en de hoofden van de vaderen der vergadering.
26 Faze a contagem da presa que foi tomada, tanto de homens como de animais, tu, e Eleazar, o sacerdote, e os cabeças das casas dos pais da congregação;
27 En deel den buit in twee helften tussen degenen, die den strijd aangegrepen hebben, die tot den strijd uitgegaan zijn, en tussen de ganse vergadering.
27 divide a presa em duas partes iguais, uma para os que, hábeis na peleja, saíram à guerra, e a outra para toda a congregação.
28 Daarna zult gij een schatting voor den HEERE heffen, van de oorlogsmannen, die tot dezen krijg uitgetogen zijn, van vijfhonderd een ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezelen, en uit de schapen.
28 Então, para o Senhor tomarás tributo dos homens do exército que saíram a esta guerra, de cada quinhentas cabeças, uma, tanto dos homens como dos bois, dos jumentos e das ovelhas.
29 Van hun helft zult gij het nemen, en den priester Eleazar geven tot een heffing des HEEREN.
29 Da metade que lhes toca o tomareis e o dareis ao sacerdote Eleazar, para a oferta do Senhor .
30 Maar van de helft der kinderen Israels zult gij een gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezelen, en uit de schapen, uit al de beesten; en gij zult ze aan de Levieten geven, die de wacht van de tabernakel des HEEREN waarnemen.
30 Mas, da metade que toca aos filhos de Israel, tomarás, de cada cinquenta, um, tanto dos homens como dos bois, dos jumentos e das ovelhas, de todos os animais; e os darás aos levitas que têm a seu cargo o serviço do tabernáculo do Senhor .
31 En Mozes, en Eleazar, de priester, deden, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
31 Moisés e o sacerdote Eleazar fizeram como o Senhor ordenara a Moisés.
32 De buit nu, het overschot van den roof, dat het krijgsvolk geroofd had, was zeshonderd vijf en zeventig duizend schapen;
32 Foi a presa, restante do despojo que tomaram os homens de guerra, seiscentas e setenta e cinco mil ovelhas,
33 En twee en zeventig duizend runderen;
33 setenta e dois mil bois,
34 En een en zestig duizend ezelen;
34 sessenta e um mil jumentos
35 En der mensen zielen, uit de vrouwen, die geen bijligging des mans bekend hadden, alle zielen waren twee en dertig duizend.
35 e trinta e duas mil pessoas, as mulheres que não coabitaram com homem algum, deitando-se com ele.
36 En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.
36 E a metade, parte que toca aos que saíram à guerra, foi em número de trezentas e trinta e sete mil e quinhentas ovelhas.
37 En de schatting voor den HEERE van schapen was zeshonderd vijf en zeventig.
37 O tributo em ovelhas para o Senhor foram seiscentas e setenta e cinco.
38 En de runderen waren zes en dertig duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en zeventig.
38 E foram os bois trinta e seis mil; e o seu tributo para o Senhor , setenta e dois.
39 En de ezelen waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor den HEERE was een en zestig.
39 E foram os jumentos trinta mil e quinhentos; e o seu tributo para o Senhor , sessenta e um.
40 En der mensen zielen waren zestien duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en dertig zielen.
40 As pessoas foram dezesseis mil; e o seu tributo para o Senhor , trinta e duas.
41 En Mozes gaf Eleazar, den priester, de schatting van de heffing des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
41 Então, Moisés deu a Eleazar, o sacerdote, o tributo da oferta do Senhor , como este ordenara a Moisés.
42 En van de helft der kinderen Israels, welke Mozes afgedeeld had, van de mannen, die gestreden hadden;
42 E, da metade que toca aos filhos de Israel, que Moisés separara da dos homens que pelejaram
43 (Het halve deel nu der vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd;
43 (a metade para a congregação foram, em ovelhas, trezentas e trinta e sete mil e quinhentas;
44 En de runderen waren zes en dertig duizend;
44 em bois, trinta e seis mil;
45 En de ezelen dertig duizend en vijfhonderd;
45 em jumentos, trinta mil e quinhentos;
46 En der mensen zielen zestien duizend;)
46 e, em pessoas, dezesseis mil),
47 Van die helft der kinderen Israels nam Mozes een gevangene uit vijftig, van mensen en van beesten; en hij gaf ze aan de Levieten, die de wacht van den tabernakel des HEEREN waarnamen, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
47 desta metade que toca aos filhos de Israel, Moisés tomou um de cada cinquenta, tanto de homens como de animais, e os deu aos levitas que tinham a seu cargo o serviço do tabernáculo do Senhor , como o Senhor ordenara a Moisés.
48 Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over de duizenden des heirs waren, de hoofdlieden der duizenden, en de hoofdlieden der honderden;
48 Então, se chegaram a Moisés os oficiais sobre os milhares do exército, capitães sobre mil e capitães sobre cem,
49 En zij zeiden tot Mozes: Uw knechten hebben opgenomen de som der krijgslieden, die onder onze hand geweest zijn; en uit ons ontbreekt niet een man.
49 e lhe disseram: Teus servos fizeram a conta dos homens de guerra que estiveram sob as nossas ordens, e nenhum falta dentre eles e nós.
50 Daarom hebben wij een offerande des HEEREN gebracht, een ieder wat hij gekregen heeft, een gouden vat, een keten, of een armring, een vingerring, een oorring, of een afhangenden gordel, om voor onze zielen verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN.
50 Pelo que trouxemos uma oferta ao Senhor , cada um o que achou: objetos de ouro, ornamentos para o braço, pulseiras, sinetes, arrecadas e colares, para fazer expiação por nós mesmos perante o Senhor .
51 Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, van het goud, alle welgewrochte vaten.
51 Assim, Moisés e o sacerdote Eleazar receberam deles o ouro, sendo todos os objetos bem-trabalhados.
52 En al het goud der heffing, dat zij den HEERE offerden, was zestien duizend zevenhonderd en vijftig sikkelen, van de hoofdlieden der duizenden, en van de hoofdlieden der honderden.
52 Foi todo o ouro da oferta que os capitães de mil e os capitães de cem trouxeram ao Senhor dezesseis mil setecentos e cinquenta siclos.
53 Aangaande de krijgslieden, een iegelijk had geroofd voor zichzelven.
53 Pois cada um dos homens de guerra havia tomado despojo para si.
54 Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, dat goud van de hoofdlieden der duizenden en der honderden, en zij brachten het in de tent der samenkomst, ter gedachtenis voor de kinderen Israels, voor het aangezicht des HEEREN.
54 Moisés e o sacerdote Eleazar receberam o ouro dos capitães de mil e dos capitães de cem e o trouxeram à tenda da congregação, como memorial para os filhos de Israel perante o Senhor .

Ler em outra tradução

Comparar com outra