Números 33

DUTCH vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Dit zijn de reizen der kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hun heiren, door de hand van Mozes en Aaron.
1 São estas as caminhadas dos filhos de Israel que saíram da terra do Egito, segundo os seus exércitos, sob as ordens de Moisés e Arão.
2 En Mozes schreef hun uittochten, naar hun reizen, naar den mond des HEEREN; en dit zijn hun reizen, naar hun uittochten.
2 Escreveu Moisés as suas saídas, caminhada após caminhada, conforme o mandado do Senhor ; e são estas as suas caminhadas, segundo as suas saídas:
3 Zij reisden dan van Rameses; in de eerste maand, op den vijftienden dag der eerste maand, des anderen daags van het pascha, togen de kinderen Israels uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren;
3 partiram, pois, de Ramessés no décimo quinto dia do primeiro mês; no dia seguinte ao da Páscoa, saíram os filhos de Israel, corajosamente, aos olhos de todos os egípcios,
4 Als de Egyptenaars begroeven degenen, welke de HEERE onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE gerichten geoefend aan hun goden.
4 enquanto estes sepultavam todos os seus primogênitos, a quem o Senhor havia ferido entre eles; também contra os deuses executou o Senhor juízos.
5 Als de kinderen Israels van Rameses verreisd waren, zo legerden zij zich te Sukkoth.
5 Partidos, pois, os filhos de Israel de Ramessés, acamparam-se em Sucote.
6 En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is.
6 E partiram de Sucote e acamparam-se em Etã, que está no fim do deserto.
7 En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baal-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.
7 E partiram de Etã, e voltaram a Pi-Hairote, que está defronte de Baal-Zefom, e acamparam-se diante de Migdol.
8 En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in Mara.
8 E partiram de Pi-Hairote, passaram pelo meio do mar ao deserto e, depois de terem andado caminho de três dias no deserto de Etã, acamparam-se em Mara.
9 En zij verreisden van Mara, en kwamen te Elim; in Elim nu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich aldaar.
9 E partiram de Mara e vieram a Elim. Em Elim, havia doze fontes de águas e setenta palmeiras; e acamparam-se ali.
10 En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee.
10 E partiram de Elim e acamparam-se junto ao mar Vermelho;
11 En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.
11 partiram do mar Vermelho e acamparam-se no deserto de Sim;
12 En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dofka.
12 partiram do deserto de Sim e acamparam-se em Dofca;
13 En zij verreisden van Dofka, en legerden zich in Aluz.
13 partiram de Dofca e acamparam-se em Alus;
14 En zij verreisden van Aluz, en legerden zich in Rafidim; doch daar was geen water voor het volk, om te drinken.
14 partiram de Alus e acamparam-se em Refidim, porém não havia ali água, para que o povo bebesse;
15 En zij verreisden van Rafidim, en legerden zich in de woestijn van Sinai.
15 partiram de Refidim e acamparam-se no deserto do Sinai;
16 En zij verreisden uit de woestijn van Sinai, en legerden zich in Kibroth-Thaava.
16 partiram do deserto do Sinai e acamparam-se em Quibrote-Hataavá;
17 En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth.
17 partiram de Quibrote-Hataavá e acamparam-se em Hazerote;
18 En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma.
18 partiram de Hazerote e acamparam-se em Ritma;
19 En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Perez.
19 partiram de Ritma e acamparam-se em Rimom-Perez;
20 En zij verreisden van Rimmon-Perez, en legerden zich in Libna.
20 partiram de Rimom-Perez e acamparam-se em Libna;
21 En zij verreisden van Libna, en legerden zich in Rissa.
21 partiram de Libna e acamparam-se em Rissa;
22 En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha.
22 partiram de Rissa e acamparam-se em Queelata;
23 En zij verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte van Safer.
23 partiram de Queelata e acamparam-se no monte Sefer;
24 En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada.
24 partiram do monte Sefer e acamparam-se em Harada;
25 En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth.
25 partiram de Harada e acamparam-se em Maquelote;
26 En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath.
26 partiram de Maquelote e acamparam-se em Taate;
27 En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah.
27 partiram de Taate e acamparam-se em Tera;
28 En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka.
28 partiram de Tera e acamparam-se em Mitca;
29 En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona.
29 partiram de Mitca e acamparam-se em Hasmona;
30 En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth.
30 partiram de Hasmona e acamparam-se em Moserote;
31 En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan.
31 partiram de Moserote e acamparam-se em Benê-Jaacã;
32 En zij verreisden van Bene-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad.
32 partiram de Benê-Jaacã e acamparam-se em Hor-Hagidgade;
33 En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.
33 partiram de Hor-Hagidgade e acamparam-se em Jotbatá;
34 En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona.
34 partiram de Jotbatá e acamparam-se em Abrona;
35 En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Geber.
35 partiram de Abrona e acamparam-se em Eziom-Geber;
36 En zij verreisden van Ezeon-Geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.
36 partiram de Eziom-Geber e acamparam-se no deserto de Zim, que é Cades;
37 En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.
37 partiram de Cades e acamparam-se no monte Hor, na fronteira da terra de Edom.
38 Toen ging de priester Aaron op den berg Hor, naar den mond des HEEREN, en stierf aldaar, in het veertigste jaar na den uittocht van de kinderen Israels uit Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten der maand.
38 Então, Arão, o sacerdote, subiu ao monte Hor, segundo o mandado do Senhor ; e morreu ali, no quinto mês do ano quadragésimo da saída dos filhos de Israel da terra do Egito, no primeiro dia do mês.
39 Aaron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op den berg Hor.
39 Era Arão da idade de cento e vinte e três anos, quando morreu no monte Hor.
40 En de Kanaaniet, de koning van Harad, die in het zuiden woonde in het land Kanaan, hoorde, dat de kinderen Israels aankwamen.
40 Então, ouviu o cananeu, rei de Arade, que habitava o Sul da terra de Canaã, que chegavam os filhos de Israel.
41 En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona.
41 E partiram do monte Hor e acamparam-se em Zalmona;
42 En zij verreisden van Zalmona, en legerden zich in Funon.
42 partiram de Zalmona e acamparam-se em Punom;
43 En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth.
43 partiram de Punom e acamparam-se em Obote;
44 En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab.
44 partiram de Obote e acamparam-se em Ijé-Abarim, no limite de Moabe;
45 En zij verreisden van de heuvelen van Abarim, en legerden zich in Dibon-Gad.
45 partiram de Ijé-Abarim e acamparam-se em Dibom-Gade;
46 En zij verreisden van Dibon-Gad, en legerden zich in Almon-Diblathaim.
46 partiram de Dibom-Gade e acamparam-se em Almom-Diblataim;
47 En zij verreisden van Almon-Diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.
47 partiram de Almom-Diblataim e acamparam-se nos montes de Abarim, defronte de Nebo;
48 En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.
48 partiram dos montes de Abarim e acamparam-se nas campinas de Moabe, junto ao Jordão, na altura de Jericó.
49 En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimoth, tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.
49 E acamparam-se junto ao Jordão, desde Bete-Jesimote até Abel-Sitim, nas campinas de Moabe.
50 En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:
50 Disse o Senhor a Moisés, nas campinas de Moabe, junto ao Jordão, na altura de Jericó:
51 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gijlieden over de Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaan;
51 Fala aos filhos de Israel e dize-lhes: Quando houverdes passado o Jordão para a terra de Canaã,
52 Zo zult gij alle inwoners des lands voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult gij al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen.
52 desapossareis de diante de vós todos os moradores da terra, destruireis todas as pedras com figura e também todas as suas imagens fundidas e deitareis abaixo todos os seus ídolos;
53 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen, en daarin wonen; want Ik heb u dat land gegeven, om hetzelve erfelijk te bezitten.
53 tomareis a terra em possessão e nela habitareis, porque esta terra, eu vo-la dei para a possuirdes;
54 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; dengenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en dien, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uwer vaderen zult gij de erfenis nemen.
54 herdareis a terra por sortes, segundo as vossas famílias; à tribo mais numerosa dareis herança maior; à pequena, herança menor. Onde lhe cair a sorte, esse lugar lhe pertencerá; herdareis segundo as tribos de vossos pais.
55 Maar indien gij de inwoners des lands niet voor uw aangezicht uit de bezitting zult verdrijven, zo zal het geschieden, dat, die gij van hen zult laten overblijven, tot doornen zullen zijn in uw ogen, en tot prikkelen in uw zijden, en u zullen benauwen op het land, waarin gij woont.
55 Porém, se não desapossardes de diante de vós os moradores da terra, então, os que deixardes ficar ser-vos-ão como espinhos nos vossos olhos e como aguilhões nas vossas ilhargas e vos perturbarão na terra em que habitardes.
56 En het zal geschieden, dat Ik u zal doen, gelijk als Ik hun dacht te doen.
56 E será que farei a vós outros como pensei fazer-lhes a eles.

Ler em outra tradução

Comparar com outra