Números 27

DUTCH vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Toen naderden de dochteren van Zelafead, den zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);
1 Então vieram as filhas de Zelofeade, filho de Héfer, filho de Gileade, filho de Maquir, filho de Manassés, entre as famílias de Manassés, filho de José. E são estes os nomes delas: Macla, Noa, Hogla, Milca e Tirza.
2 En zij stonden voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Eleazar, den priester, en voor het aangezicht van de oversten, en van de ganse vergadering, aan de deur van de tent der samenkomst, zeggende:
2 Elas se apresentaram diante de Moisés, diante do sacerdote Eleazar, diante dos chefes e diante de todo o povo, à porta da tenda do encontro, dizendo:
3 Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden der vergadering dergenen, die zich tegen den HEERE vergaderd hebben in de vergadering van Korach; maar hij is in zijn zonde gestorven, en had geen zonen.
3 — Nosso pai morreu no deserto e não estava entre os que se ajuntaram contra o Senhor no grupo de Corá; mas morreu por causa do seu próprio pecado e não teve nenhum filho homem.
4 Waarom zou de naam onzes vaders uit het midden van zijn geslacht weggenomen worden, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons een bezitting in het midden der broederen van onzen vader.
4 Por que se tiraria o nome de nosso pai do meio da sua família, só porque não teve filhos? Dê-nos uma herança entre os parentes de nosso pai.
5 En Mozes bracht haar rechtzaak voor het aangezicht des HEEREN.
5 Moisés apresentou a causa delas ao Senhor .
6 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
6 E o Senhor disse a Moisés:
7 De dochteren van Zelafead spreken recht; gij zult haar ganselijk geven de bezitting ener erfenis, in het midden van de broederen haars vaders; en gij zult de erfenis haars vaders op haar doen komen.
7 — As filhas de Zelofeade estão pedindo o que é justo. Certamente você deve dar-lhes propriedade como herança entre os parentes do pai delas e deverá transferir a elas a herança do pai.
8 En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende: Wanneer iemand sterft, en geen zoon heeft, zo zult gij zijn erfenis op zijn dochter doen komen.
8 E diga aos filhos de Israel: Se alguém morrer e não tiver filho, passem a herança dele para a sua filha.
9 En indien hij geen dochter heeft, zo zult gij zijn erfenis aan zijn broederen geven.
9 E, se não tiver filha, deem a herança aos irmãos dele.
10 Indien hij nu geen broederen heeft, zo zult gij zijn erfenis aan de broederen zijns vaders geven.
10 Porém, se não tiver irmãos, deem a herança aos irmãos do pai dele.
11 Indien ook zijn vader geen broeders heeft, zo zult gij zijn erfenis geven aan zijn naastbestaande, die hem de naaste van zijn geslacht is, dat hij het erfelijk bezitte. Dit zal den kinderen Israels tot een inzetting des rechts zijn, gelijk als de HEERE Mozes geboden heeft.
11 Se também o pai não tiver irmãos, deem a herança ao parente mais chegado de sua família, para que tome posse dela. Isto será prescrição de direito aos filhos de Israel, como o Senhor ordenou a Moisés.
12 Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Klim op dezen berg Abarim, en zie dat land, hetwelk Ik den kinderen Israels gegeven heb.
12 Depois, o Senhor disse a Moisés: — Suba a este monte Abarim e veja a terra que dei aos filhos de Israel.
13 Wanneer gij dat gezien zult hebben, dan zult gij tot uw volken verzameld worden, gij ook, gelijk als uw broeder Aaron verzameld geworden is;
13 E, depois de a ter visto, você também será reunido ao seu povo, assim como já aconteceu com o seu irmão Arão.
14 Naardien gijlieden Mijn mond wederspannig zijt geweest in de woestijn Zin, in de twisting der vergadering, om Mij aan de wateren voor hun ogen te heiligen. Dat zijn de wateren van Meriba, van Kades, in de woestijn Zin.
14 Porque, no deserto de Zim, quando a congregação discutia comigo, vocês foram rebeldes ao meu mandado de me santificar nas águas diante dos olhos do povo. São estas as águas de Meribá de Cades, no deserto de Zim.
15 Toen sprak Mozes tot den HEERE, zeggende:
15 Então Moisés disse ao Senhor :
16 Dat de HEERE, de God der geesten van alle vlees, een man stelle over deze vergadering.
16 — Que o Senhor , autor e conservador de toda vida, ponha um homem sobre esta congregação
17 Die voor hun aangezicht uitga, en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide, en die hen inleide; opdat de vergadering des HEEREN niet zij als schapen, die geen herder hebben.
17 que saia adiante deles, que entre adiante deles, que os faça sair e que os faça entrar, para que a congregação do Senhor não seja como ovelhas que não têm pastor.
18 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man, in wien de Geest is; en leg uw hand op hem;
18 O Senhor disse a Moisés: — Chame Josué, filho de Num, homem em quem há o Espírito, e imponha as mãos sobre ele.
19 En stel hem voor het aangezicht van Eleazar, den priester, en voor het aangezicht der ganse vergadering; en geef hem bevel voor hun ogen;
19 Apresente-o ao sacerdote Eleazar e a toda a congregação, e, à vista de todos, transmita-lhe as suas ordens.
20 En leg op hem van uw heerlijkheid, opdat zij horen, te weten de ganse vergadering der kinderen Israels.
20 Ponha sobre ele uma parte da sua autoridade, para que toda a congregação dos filhos de Israel obedeça a ele.
21 En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, den priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht des HEEREN; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen Israels met hem, en de ganse vergadering.
21 Josué deverá se apresentar diante de Eleazar, o sacerdote, o qual por ele consultará o Senhor , de acordo com o juízo do Urim. Segundo a palavra do sacerdote, sairão e, segundo a sua palavra, entrarão, ele, e todos os filhos de Israel com ele, e toda a congregação.
22 En Mozes deed, gelijk als de HEERE hem geboden had; want hij nam Jozua, en stelde hem voor het aangezicht van Eleazar, den priester, en voor het aangezicht der ganse vergadering.
22 Moisés fez como o Senhor lhe havia ordenado: chamou Josué e o apresentou ao sacerdote Eleazar e a toda a congregação;
23 En hij legde zijn handen op hem, en gaf hem bevel; gelijk als de HEERE door den dienst van Mozes gesproken had.
23 impôs as mãos sobre ele e lhe deu as suas ordens, como o Senhor havia falado por meio de Moisés.

Ler em outra tradução

Comparar com outra