Números 26

DUTCH vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Het geschiedde nu na die plaag, dat de HEERE sprak tot Mozes, en tot Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, zeggende:
1 Passada a praga, o Senhor falou a Moisés e a Eleazar, filho do sacerdote Arão, dizendo:
2 Neem de som van de gehele vergadering der kinderen Israels op, van twintig jaren oud en daarboven, naar het huis hunner vaderen, al wie ten heire in Israel uittrekt.
2 — Levantem o censo de toda a congregação dos filhos de Israel, da idade de vinte anos para cima, segundo as casas de seus pais, todos os que, em Israel, forem capazes de sair à guerra.
3 Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:
3 Assim, nas campinas de Moabe, junto do Jordão, na altura de Jericó, Moisés e o sacerdote Eleazar falaram aos chefes de Israel, dizendo:
4 Dat men opneme van twintig jaren oud en daarboven; gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en den kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen waren.
4 — Contem o povo da idade de vinte anos para cima, como o Senhor havia ordenado a Moisés e aos filhos de Israel que saíram do Egito.
5 Ruben was de eerstgeborene van Israel. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welken was het geslacht der Hanochieten; van Pallu het geslacht der Palluieten;
5 Rúben, o primogênito de Israel; os filhos de Rúben: de Enoque, a família dos enoquitas; de Palu, a família dos paluítas;
6 Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.
6 de Hezrom, a família dos hezronitas; de Carmi, a família dos carmitas.
7 Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.
7 São estas as famílias dos rubenitas, e deles foram contados quarenta e três mil e setecentos e trinta.
8 En de zonen van Pallu waren Eliab.
8 O filho de Palu: Eliabe.
9 En de zonen van Eliab waren Nemuel, en Dathan, en Abiram; deze Dathan en Abiram waren de geroepenen der vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aaron, in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen den HEERE maakten.
9 Os filhos de Eliabe: Nemuel, Datã e Abirão. Estes, Datã e Abirão, são os que foram eleitos pela congregação e que se rebelaram contra Moisés e contra Arão, no grupo de Corá, quando se rebelaram contra o Senhor .
10 En de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden tot een teken.
10 A terra abriu a boca e os engoliu com Corá, morrendo aquele grupo, quando o fogo consumiu duzentos e cinquenta homens, e isso serviu de advertência.
11 Maar de kinderen van Korach stierven niet.
11 Mas os filhos de Corá não morreram.
12 De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;
12 Os filhos de Simeão, segundo as suas famílias: de Nemuel, a família dos nemuelitas; de Jamim, a família dos jaminitas; de Jaquim, a família dos jaquinitas;
13 Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
13 de Zera, a família dos zeraítas; de Saul, a família dos saulitas.
14 Dat zijn de geslachten der Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.
14 São estas as famílias dos simeonitas, num total de vinte e dois mil e duzentos.
15 De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.
15 Os filhos de Gade, segundo as suas famílias: de Zefom, a família dos zefonitas; de Hagi, a família dos hagitas; de Suni, a família dos sunitas;
16 Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;
16 de Ozni, a família dos oznitas; de Eri, a família dos eritas;
17 Van Arod het geslacht der Arodieten; van Areli het geslacht der Arelieten.
17 de Arodi, a família dos aroditas; de Areli, a família dos arelitas.
18 Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.
18 São estas as famílias dos filhos de Gade, segundo os que foram deles contados, num total de quarenta mil e quinhentos.
19 De zonen van Juda waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het land Kanaan.
19 Os filhos de Judá: Er e Onã; mas Er e Onã morreram na terra de Canaã.
20 Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.
20 Assim, os filhos de Judá foram, segundo as suas famílias: de Selá, a família dos selaítas; de Perez, a família dos perezitas; de Zera, a família dos zeraítas.
21 En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.
21 Os filhos de Perez foram: de Hezrom, a família dos hezronitas; de Hamul, a família dos hamulitas.
22 Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.
22 São estas as famílias de Judá, segundo os que foram deles contados, num total de setenta e seis mil e quinhentos.
23 De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht der Tolaieten; van Puva het geslacht der Punieten;
23 Os filhos de Issacar, segundo as suas famílias, foram: de Tola, a família dos tolaítas; de Puva, a família dos puvitas;
24 Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
24 de Jasube, a família dos jasubitas; de Sinrom, a família dos sinronitas.
25 Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.
25 São estas as famílias de Issacar, segundo os que foram deles contados, num total de sessenta e quatro mil e trezentos.
26 De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.
26 Os filhos de Zebulom, segundo as suas famílias, foram: de Serede, a família dos sereditas; de Elom, a família dos elonitas; de Jaleel, a família dos jaleelitas.
27 Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.
27 São estas as famílias dos zebulonitas, segundo os que foram deles contados, num total de sessenta mil e quinhentos.
28 De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraim.
28 Os filhos de José, segundo as suas famílias, foram Manassés e Efraim.
29 De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.
29 Os filhos de Manassés foram: de Maquir, a família dos maquiritas; e Maquir gerou Gileade; de Gileade, a família dos gileaditas.
30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
30 São estes os filhos de Gileade: de Jezer, a família dos jezeritas; de Heleque, a família dos helequitas;
31 En van Asriel het geslacht der Alrielieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
31 de Asriel, a família dos asrielitas; de Siquém, a família dos siquemitas.
32 En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
32 De Semida, a família dos semidaítas; de Héfer, a família dos heferitas.
33 Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
33 Porém Zelofeade, filho de Héfer, não tinha filhos; somente filhas. Os nomes das filhas de Zelofeade foram: Macla, Noa, Hogla, Milca e Tirza.
34 Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
34 São estas as famílias de Manassés; os que foram deles contados foram cinquenta e dois mil e setecentos.
35 Dit zijn de zonen van Efraim, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.
35 São estes os filhos de Efraim, segundo as suas famílias: de Sutela, a família dos sutelaítas; de Bequer, a família dos bequeritas; de Taã, a família dos taanitas.
36 En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.
36 São estes os filhos de Sutela: de Erã, a família dos eranitas.
37 Dat zijn de geslachten der zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
37 São estas as famílias dos filhos de Efraim, segundo os que foram deles contados, num total de trinta e dois mil e quinhentos. São estes os filhos de José, segundo as suas famílias.
38 De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahirmieten;
38 Os filhos de Benjamim, segundo as suas famílias: de Belá, a família dos belaítas; de Asbel, a família dos asbelitas; de Airão, a família dos airamitas;
39 Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
39 de Sufã, a família dos sufamitas; de Hufã, a família dos hufamitas.
40 En de zonen van Bela waren Ard en Naaman; van Ard het geslacht der Ardieten; van Naaman het geslacht der Naamieten.
40 Os filhos de Belá foram: Arde e Naamã; de Arde, a família dos arditas; de Naamã, a família dos naamanitas.
41 Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.
41 São estes os filhos de Benjamim, segundo as suas famílias; os que foram deles contados foram quarenta e cinco mil e seiscentos.
42 Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.
42 São estes os filhos de Dã, segundo as suas famílias: de Suão, a família dos suamitas. São estas as famílias de Dã, segundo as suas famílias.
43 Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.
43 Todas as famílias dos suamitas, segundo os que foram deles contados, foram sessenta e quatro mil e quatrocentos.
44 De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht der Imnaieten; van Isvi het geslacht der Isvieten; van Beria het geslacht der Beriieten.
44 Os filhos de Aser, segundo as suas famílias: de Imna, a família dos imnaítas; de Isvi, a família dos isvitas; de Berias, a família dos beriaítas.
45 Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.
45 Os filhos de Berias foram: de Héber, a família dos heberitas; de Malquiel, a família dos malquielitas.
46 En de naam der dochter van Aser was Serah.
46 O nome da filha de Aser foi Sera.
47 Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.
47 São estas as famílias dos filhos de Aser, segundo os que foram deles contados, num total de cinquenta e três mil e quatrocentos.
48 De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht der Jahzeelieten; van Guni het geslacht der Gunieten;
48 Os filhos de Naftali, segundo as suas famílias: de Jazeel, a família dos jazeelitas; de Guni, a família dos gunitas;
49 Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.
49 de Jezer, a família dos jezeritas; de Silém, a família dos silemitas.
50 Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.
50 São estas as famílias de Naftali, segundo as suas famílias; os que foram deles contados eram quarenta e cinco mil e quatrocentos.
51 Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.
51 São estes os contados dos filhos de Israel: seiscentos e um mil setecentos e trinta.
52 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
52 O Senhor disse a Moisés:
53 Aan dezen zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar het getal der namen.
53 — A estes se repartirá a terra em herança, segundo o censo.
54 Aan degenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; aan een iegelijk zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.
54 À tribo mais numerosa você dará herança maior, e à pequena você dará herança menor; a herança será dada a cada tribo, em proporção ao seu número.
55 Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven.
55 Todavia, a terra será repartida por sorteio; eles a herdarão segundo os nomes das tribos de seus pais.
56 Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen, en de weinigen.
56 A herança deles será repartida por sorteio entre as tribos maiores e menores.
57 Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.
57 São estes os que foram contados dos levitas, segundo as suas famílias: de Gérson, a família dos gersonitas; de Coate, a família dos coatitas; de Merari, a família dos meraritas.
58 Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Hebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Muzieten, het geslacht der Korachieten. En Kohath gewon Amram.
58 São estas as famílias de Levi: a família dos libnitas, a família dos hebronitas, a família dos malitas, a família dos musitas, a família dos coraítas. Coate gerou Anrão.
59 En de naam der huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aaron, en Mozes, en Mirjam, hun zuster.
59 A mulher de Anrão chamava-se Joquebede, filha de Levi, a qual lhe nasceu no Egito. De Anrão ela teve Arão, Moisés e Miriã, irmã deles.
60 En aan Aaron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
60 A Arão nasceram Nadabe, Abiú, Eleazar e Itamar.
61 Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des HEEREN.
61 Nadabe e Abiú morreram quando levaram fogo estranho diante do Senhor .
62 En hun getelden waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven; want dezen werden niet geteld onder de kinderen Israels, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israels.
62 Dos levitas foram contados vinte e três mil, todos os homens de um mês de idade para cima. Eles não foram contados entre os filhos de Israel, porque não lhes foi dada herança com os outros.
63 Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar, den priester, die de kinderen Israels telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho.
63 São estes os que foram contados por Moisés e o sacerdote Eleazar, que contaram os filhos de Israel nas campinas de Moabe, junto do Jordão, na altura de Jericó.
64 En onder dezen was niemand uit de getelden van Mozes en Aaron, den priester, als zij de kinderen Israels telden in de woestijn van Sinai.
64 Entre estes, porém, não havia nenhum dos que foram contados por Moisés e pelo sacerdote Arão, quando levantaram o censo dos filhos de Israel no deserto do Sinai.
65 Want de HEERE had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
65 Porque o Senhor tinha dito a respeito deles que certamente morreriam no deserto; e nenhum deles ficou, a não ser Calebe, filho de Jefoné, e Josué, filho de Num.

Ler em outra tradução

Comparar com outra