Josué 10

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Het geschiedde nu, toen Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen, en haar verbannen had, en aan Ai en haar koning alzo gedaan had, gelijk als hij aan Jericho en haar koning gedaan had; en dat de inwoners van Gibeon vrede met Israel gemaakt hadden, en in derzelver midden waren;
1 Quando Adoni-Zedeque, rei de Jerusalém, ouviu que Josué havia tomado a cidade de Ai e a havia destruído totalmente, fazendo com Ai e com o seu rei o mesmo que havia feito com Jericó e com o seu rei, e que os moradores de Gibeão tinham feito paz com os israelitas e estavam no meio deles,
2 Zo vreesden zij zeer; want Gibeon was een grote stad, als een der koninklijke steden; ja, zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren sterk.
2 ficou com muito medo, porque Gibeão era uma cidade grande, tão grande como uma das cidades reais e ainda maior do que Ai, e todos os seus homens eram valentes.
3 Daarom zond Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-Am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:
3 Por isso Adoni-Zedeque, rei de Jerusalém, enviou mensageiros a Hoão, rei de Hebrom, e a Pirã, rei de Jarmute, e a Jafia, rei de Laquis, e a Debir, rei de Eglom, dizendo:
4 Komt op tot mij, en helpt mij, dat wij Gibeon slaan; omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua en met de kinderen Israels.
4 — Venham até aqui e me ajudem. Vamos atacar Gibeão, porque fez paz com Josué e com os filhos de Israel.
5 Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en krijgden tegen haar.
5 Então se ajuntaram cinco reis dos amorreus, o rei de Jerusalém, o rei de Hebrom, o rei de Jarmute, o rei de Laquis e o rei de Eglom, eles e todas as suas tropas; vieram e acamparam junto a Gibeão e atacaram a cidade.
6 De mannen nu van Gibeon zonden tot Jozua, in het leger van Gilgal, zeggende: Trek uw handen niet af van uw knechten, kom haastelijk tot ons op, en verlos ons, en help ons; want al de koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons vergaderd.
6 Os homens de Gibeão mandaram dizer a Josué, no arraial de Gilgal: — Não deixe de ajudar estes seus servos. Venha depressa até aqui! Livre-nos e ajude-nos, pois todos os reis dos amorreus que moram nas montanhas se ajuntaram contra nós.
7 Toen toog Jozua op van Gilgal, hij en al het krijgsvolk met hem, en alle strijdbare helden.
7 Então Josué partiu de Gilgal, ele e todo o exército com ele e todos os valentes.
8 Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uw hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan.
8 E o Senhor disse a Josué: — Não tenha medo deles, porque eu os entreguei nas suas mãos. Nenhum deles poderá resistir a você.
9 Alzo kwam Jozua snellijk tot hen; den gansen nacht over was hij van Gilgal opgetrokken.
9 Josué os atacou de surpresa, porque tinha marchado durante toda a noite, saindo de Gilgal.
10 En de HEERE verschrikte hen voor het aangezicht van Israel; en hij sloeg hen met een groten slag te Gibeon, en vervolgde hen op den weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.
10 O Senhor fez com que eles entrassem em pânico diante de Israel, e os derrotou completamente em Gibeão, e os foi perseguindo pelo caminho que sobe a Bete-Horom, e os derrotou até Azeca e Maquedá.
11 Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israel vluchtten, zijnde in den afgang van Beth-horon, zo wierp de HEERE grote stenen op hen van den hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen Israels met het zwaard doodden.
11 E aconteceu que, enquanto eles fugiam de Israel, na descida de Bete-Horom, o Senhor fez cair do céu sobre eles grandes pedras, até Azeca, e morreram. Mais foram os que morreram pela chuva de pedras do que os que foram mortos à espada pelos filhos de Israel.
12 Toen sprak Jozua tot den HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht de kinderen Israels overgaf, en zeide voor de ogen der Israelieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon!
12 Então Josué falou ao Senhor , no dia em que o Senhor entregou os amorreus nas mãos dos filhos de Israel. E, na presença dos israelitas, ele disse: “Sol, detenha-se em Gibeão, e você, lua, pare no vale de Aijalom.”
13 En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten? De zon nu stond stil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.
13 E o sol se deteve, e a lua parou até que o povo se vingou de seus inimigos. Não está isso escrito no Livro dos Justos? O sol se deteve no meio do céu e não se apressou a pôr-se, por quase um dia inteiro.
14 En er was geen dag aan dezen gelijk, voor hem noch na hem, dat de HEERE de stem eens mans alzo verhoorde; want de HEERE streed voor Israel.
14 Não houve dia semelhante a este, nem antes nem depois dele, tendo o Senhor , assim, atendido à voz de um homem; porque o Senhor lutava por Israel.
15 Toen keerde Jozua weder, en gans Israel met hem, naar het leger te Gilgal.
15 Então Josué voltou ao arraial, em Gilgal, e todo o Israel foi com ele.
16 Maar die vijf koningen waren gevloden, en hadden zich verborgen in de spelonk bij Makkeda.
16 Aqueles cinco reis fugiram e se esconderam numa caverna em Maquedá.
17 En aan Jozua werd geboodschapt, mits te zeggen: Die vijf koningen zijn gevonden, verborgen in de spelonk bij Makkeda.
17 E foi dito a Josué: — Os cinco reis foram achados. Estão escondidos numa caverna em Maquedá.
18 Zo zeide Jozua: Wentelt grote stenen voor den mond der spelonk, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren.
18 Então Josué disse: — Rolem grandes pedras até a entrada da caverna e ponham junto a ela alguns homens para que fiquem vigiando. Mas vocês não se detenham.
19 Maar staat gijlieden niet stil, jaagt uw vijanden achterna, en slaat hen in den staart; laat hen in hun steden niet komen; want de HEERE, uw God, heeft ze in uw hand gegeven.
19 Persigam os seus inimigos e matem os que vão ficando para trás. Não os deixem entrar nas cidades deles, porque o Senhor , o Deus de vocês, já os entregou nas mãos de vocês.
20 En het geschiedde, toen Jozua en de kinderen Israels geeindigd hadden hen met een zeer groten slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in de vaste steden gekomen waren;
20 Quando Josué e os filhos de Israel acabaram de derrotá-los completamente, até consumi-los, e os que conseguiram escapar tinham entrado nas cidades fortificadas,
21 Zo keerde al het volk tot Jozua in het leger, bij Makkeda, in vrede; niemand had zijn tong tegen de kinderen Israels geroerd.
21 todo o povo voltou em paz para junto de Josué, no acampamento de Maquedá. E não houve ninguém que movesse a língua contra os filhos de Israel.
22 Daarna zeide Jozua: Opent den mond der spelonk, en brengt tot mij uit die vijf koningen, uit die spelonk.
22 Depois Josué disse: — Abram a entrada da caverna e tragam para mim aqueles cinco reis que lá se encontram.
23 Zij nu deden alzo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de spelonk: den koning van Jeruzalem, den koning van Hebron, den koning van Jarmuth, den koning van Lachis, den koning van Eglon.
23 Eles fizeram assim e da caverna lhe trouxeram os cinco reis: o rei de Jerusalém, o de Hebrom, o de Jarmute, o de Laquis e o de Eglom.
24 En het geschiedde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua al de mannen van Israel, en hij zeide tot de oversten des krijgsvolks, die met hem getogen waren: Treedt toe, zet uw voeten op de halzen dezer koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun halzen.
24 Quando os reis foram trazidos a Josué, este chamou todos os homens de Israel e disse aos capitães do exército que tinham ido com ele: — Venham e ponham o pé sobre o pescoço destes reis. E eles foram e puseram os pés sobre o pescoço deles.
25 Toen zeide Jozua tot hen: Vreest niet en ontzet u niet, zijt sterk en hebt goeden moed; want alzo zal de HEERE aan al uw vijanden doen, tegen dewelke gijlieden strijdt.
25 Então Josué disse aos capitães do exército: — Não tenham medo, nem fiquem assustados. Sejam fortes e corajosos, porque assim o
26 En Jozua sloeg hen daarna, en doodde ze, en hing ze aan vijf houten; en zij hingen aan de houten tot den avond.
26 Depois disto, Josué matou os reis e os pendurou em cinco árvores. E eles ficaram pendurados ali até a tarde.
27 En het geschiedde, ten tijde als de zon onderging, beval Jozua, dat men hen van de houten afname, en zij wierpen hen in de spelonk, alwaar zij verborgen geweest waren; en zij legden grote stenen voor den mond der spelonk, die daar zijn tot op dezen zelven dag.
27 Ao pôr do sol, Josué ordenou que os tirassem das árvores. E lançaram-nos na caverna onde se haviam escondido. Na entrada da caverna, puseram grandes pedras, que estão lá até o dia de hoje.
28 Op denzelven dag nam ook Jozua Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande hij derzelver koning, henlieden en alle ziel die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed den koning van Makkeda, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.
28 No mesmo dia, Josué tomou a cidade de Maquedá e a feriu à espada, bem como ao seu rei; destruiu-os totalmente e a todos os que nela estavam, sem deixar nem sequer um. Fez com o rei de Maquedá o mesmo que havia feito com o rei de Jericó.
29 Toen toog Jozua door, en gans Israel met hem, van Makkeda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna.
29 Então Josué, e todo o Israel com ele, foi de Maquedá a Libna e atacou a cidade.
30 En de HEERE gaf dezelve ook in de hand van Israel, met haar koning; en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was; hij liet daarin geen overigen overblijven; en hij deed derzelver koning, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.
30 E o Senhor a entregou nas mãos de Israel, tanto a cidade como o seu rei, e a feriu à espada, a ela e todos os que nela estavam, sem deixar nem sequer um. Fez com o seu rei o mesmo que havia feito com o rei de Jericó.
31 Toen toog Jozua voort, en gans Israel met hem, van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en krijgde tegen haar.
31 Então Josué, e todo o Israel com ele, foi de Libna a Laquis; cercou a cidade e a atacou.
32 En de HEERE gaf Lachis in de hand van Israel; en hij nam haar in op den tweeden dag, en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was, naar alles, wat hij aan Libna gedaan had.
32 E o Senhor entregou Laquis nas mãos de Israel, que, no dia seguinte, a tomou e a feriu à espada, a ela e todos os que nela estavam, conforme tudo o que havia feito com Libna.
33 Toen trok Horam, de koning van Gezer, op, om Lachis te helpen; maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geen overigen overliet.
33 Horão, rei de Gezer, saiu para ajudar Laquis; porém Josué o derrotou, a ele e o seu povo, sem deixar nem sequer um.
34 En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gans Israel met hem; en zij belegerden haar en krijgden tegen haar.
34 E Josué, e todo o Israel com ele, foi de Laquis a Eglom. Cercaram a cidade e a atacaram;
35 En zij namen haar in ten zelven dage, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was, verbande hij op denzelven dag, naar alles, wat hij aan Lachis gedaan had.
35 e, no mesmo dia, a tomaram e a feriram à espada; e destruíram totalmente os que nela estavam, conforme tudo o que haviam feito com Laquis.
36 Daarna toog Jozua op, en gans Israel met hem; van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar.
36 Depois, Josué, e todo o Israel com ele, foi de Eglom a Hebrom. E guerrearam contra ela,
37 En zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, zo haar koning als al haar steden, en alle ziel, die daarin was; hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles, wat hij Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alle ziel, die daarin was.
37 tomaram a cidade e a feriram à espada, tanto o seu rei como todas as suas cidades e todos os que nelas estavam, sem deixar nem sequer um, conforme tudo o que haviam feito com Eglom. Josué executou a condenação contra ela e contra todos os que nela estavam.
38 Toen keerde Jozua, en gans Israel met hem, naar Debir, en hij krijgde tegen haar.
38 Então Josué, e todo o Israel com ele, voltou e atacou Debir;
39 En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; gelijk als hij aan Hebron gedaan had, alzo deed hij aan Debir en haar koning, en gelijk als hij aan Libna en haar koning gedaan had;
39 e tomou a cidade com o seu rei e todas as suas cidades e as feriu à espada. Todos os que nelas estavam, destruiu-os totalmente sem deixar nem sequer um. Como havia feito com Hebrom, com Libna e o seu rei, também fez com Debir e o seu rei.
40 Alzo sloeg Jozua het ganse land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen der wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als de HEERE, de God Israels, geboden had.
40 Assim Josué conquistou toda aquela terra, a região montanhosa, o Neguebe, a Sefelá e as descidas das águas, e derrotou todos os seus reis. Destruiu tudo o que tinha fôlego de vida, sem deixar nem sequer um, como o Senhor , o Deus de Israel, havia ordenado.
41 En Jozua sloeg hen van Kades-Barnea en tot Gaza toe; ook het ganse land Gosen, en tot Gibeon toe.
41 Josué os derrotou desde Cades-Barneia até Gaza, bem como toda a terra de Gósen até Gibeão.
42 En Jozua nam al deze koningen en hun land op eenmaal; want de HEERE, de God Israels, streed voor Israel.
42 E, de uma só vez, Josué venceu todos estes reis e tomou as suas terras, porque o Senhor , o Deus de Israel, lutava por Israel.
43 Toen keerde Jozua weder, en gans Israel met hem, naar het leger te Gilgal.
43 Então Josué, e todo o Israel com ele, voltou ao arraial em Gilgal.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Josué 10, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.